Didy en Jan hebben de route voor vandaag uitgestippeld: over de Niederer Ortlerferner naar de Ortlerpas, om vervolgens af te dalen naar de Rifugio V Alpini.
Het is een beetje druilerig weer. Flarden mist stijgen op uit het dal en de smalle paadjes op de morene zijn natte, zachte, platgetrapte sporen slingerend omhoog door de grijze hellingen. Eenmaal op de gletsjer worden de stijgijzers ondergebonden.
Hoger en hoger ploeteren we onszelf naar boven, als tredmolenpaarden aan een touw. Ondertussen blijft het uitkijken waar je loopt en probeer je de kenmerkende punten te herkennen die we eerder op de kaart hebben gezien. De gletsjer apert flink (voor de out-siders en beginnertjes: dit betekent dat de gletsjer hier flinke scheuren vertoont). We lopen van links naar rechts, springen vastberaden over de gevaarlijkste spleten en komen zo al laverend aan de voet van een prachtige steile ijswand die het dal afsluit en de laatste barrière vormt op weg naar de Ortlerpas.
Aangezien Didy en Jan vandaag de leiding hebben nemen ze letterlijk het voortouw en gaan als eersten de helling op. Jan links, Didy rechts, elk voorzien van een touw dat alsmaar langer achter hun aansleept naarmate ze hoger klimmen. Ze zijn dus ongezekerd, maar voor de zekerheid klimt met elk een gids mee, hetgeen meer voor de vorm is.
Na de touwlengte te hebben uitgeklommen wordt er stand gemaakt en met een ijsschroef een zekering in de ijswand gemaakt. Vervolgens kunnen de overgebleven cursisten naar boven komen, kort achter elkaar aan het touw gebonden. Frontzackend (de voorste punten van je stijgijzers in het ijs rammen), flink de pickel in het ijs rammend en met vervaarde blik hijsen we ons naar boven. Wat op de kaart nauwelijks opvalt blijkt in de praktijk toch heel serieus. De ijswand is naar schatting 60 graden; gewoon erg steil dus.
Zodra we bij de standplaats zijn aangekomen struint de voorklimmer weer berg op en bereikt de col. Daar wordt het touw om een rots geslagen en volgt de rest, gezekerd met een knikzekering. Eindelijk zijn we boven.
Eiskögel vanaf Ortlerpas
Het zicht is redelijk, maar de snerpende wind maakt het onaangenaam. De restanten van een hier tijdens de eerste wereldoorlog aangebrachte barricade zijn volop aanwezig in de vorm van verwrongen prikkeldraad en eraan vastgehechte, verweerde paaltjes. Door de droge lucht is het tachtig jaar na dato in een puikere conditie dan menige afrastering in een Achterhoeks bos.
De gletsjer geeft nog steeds oorlogstuig vrij in de vorm van patroonhouders en kogelhulzen. We nemen er allemaal wel een paar mee, maar de scherpe granaat die we aantreffen lopen we toch maar met een boogje voorbij.
We kauwen wat naar binnen en gaan ons vervolgens wijden aan de afdaling. Ik mag voorop en bij de andere groep laat Didy zich het voortouw niet ontnemen. Ik loop als eerste naar beneden, de anderen aan het lijntje achter mij. Plotseling volgt er een demarrage. Didy stuift rechts voorbij, ik roep nog iets van haastig gespoed is zelden goed en zak met één been in een spleet. Terwijl ik eruit worstel valt komt mijn voorspelling toch wel snel uit. Didy is verdwenen. Het touw staat strak, Norbert weet eigenlijk niet goed wat er gebeurt, maar zorgt er wel voor dat ze niet verder de spleet in valt. We kunnen geen contact krijgen.
Klaus laat vakkundig zien hoe je een seilrolle aanlegt en binnen een paar minuten is ze weer boven ‘ijs’ en kunnen we onze weg vervolgen.
We komen op een morene en staan opeens bovenaan een helling met allemaal kleine rotsblokjes. Fun, fun, fun: we gaan naar beneden alsof we aan het skiën zijn; de Leki-stokken links en rechts prikken en de hielen flink in het grind trappen.
Na nog een laatste gletsjerpunt komen we bij de Rifugio V Alpini aan, waar we alle spullen laten drogen in het Trockenraum: dat is buiten waar de meeste zon en wind is.
Later op de middag oefenen we op het droge de seilrolle en laat Tom de beide gidsen in verwondering achter als hij ze vakkundig demonstreert hoe je heel snel van een halve mastworp een hele maakt. Later hoor ik Klaus en Gerhold nog op hun kamertje bezig met touw en karabiner, onderwijl menig ’unglaublich’ slakend.